De plurale samenleving
Dames en heren, een plurale samenleving is een samenleving die bestaat uit verschillende etnische groepen. Tussen deze etnische groepen bestaat soms een sociale en politieke afstand, wat onschuldig kan zijn en soms ook niet. In een dergelijke samenleving, zoals Suriname, is het vraagstuk van leiderschap van eminent belang. Leiders in dit type samenleving vertegenwoordigen etnische groepen. Hiertoe behoren ook groepen die zich niet als etnisch beschouwen, maar zich als nationaal of nationalistisch presenteren. In de politieke wetenschap wordt alom erkend dat nationalisme een etniciteit is, of dat gepaard gaat raciaal en cultureel menging of niet. De Brits-Jamaicaanse socioloog Stuart Hall sprak van ‘nieuwe etniciteiten’ om de opkomst van deze nieuwe groepen te duiden. Als u dit uitgangspunt accepteert, dan begrijpt u dat ook het leiderschap van etnisch gemengde of nationalistische groepen ‘etnisch leiderschap’ is. Zo beschouwd hebben we te maken met twee soorten etnische groepen: cultureel traditionele en dus herkenbare groepen, en nieuwe groepen die weigeren zich als een etnische groep te afficheren, maar zich wel zo opstellen en gedragen, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in de onderlinge banden, inclusief huwelijken, de geslotenheid naar andere groepen toe, en een bindende groepsideologie die vaak samenvalt met een partij-ideologie.
Ik vind de groeiende groep van raciaal gemengden in Suriname en de NDP mooie voorbeelden van nieuwe etniciteiten. Beide categorieën zijn in meerdere opzichten met elkaar verbonden, kijken neer op de traditionele etnische groepen, en claimen een morele superioriteit en nationale oriëntatie. Het ontstaan van nieuwe etniciteiten verandert het cultureel plurale karakter van de samenleving niet. Wat wel verandert zijn de samenstelling van de groepen en hun culturen. Maar let op: deze veranderingen gelden ook voor de traditionele etnische groepen. Of we het nu hebben over Marrons, Hindostanen of Chinezen, vergeleken met veertig jaar geleden zijn deze groepen aardig veranderd in gezinsleven, religieuze beleving, taalgebruik en omgangsvormen. Ik blijf ze gemakshalve duiden met traditionele etnische groepen omdat ze historisch herkenbaar zijn gebleven.
De plurale samenleving is politiek en wetenschappelijk bekritiseerd. Zo leeft in beide kampen het hardnekkig idee voort dat verschillende etnische groepen in één staatsverband raciale onlusten met zich mee zal brengen. En inderdaad zijn er voorbeelden te over die deze opvatting ondersteunen. Dichtbij huis hebben we te maken met Guyana waar sinds de jaren zestig etnische conflicten tussen
Hindostanen en Creolen zich soms openlijk en soms sluimerend voordoen. Elders op de wereld tref je eveneens etnische conflicten aan die meestal een economische en religieuze inslag hebben en die altijd gepaard gaan met machtspolitieke aspiraties. Denk aan de huidige conflicten in Irak of aan de strijd tussen de Hutsies en Tutsies in Ruwanda, de conflicten op de Balkan, en nu in Syrië. Verschillende vooraanstaande politicologen hebben er echter vaker op gewezen dat deze etnische conflicten zich voordoen bij een zeer kleine minderheid van etnische groepen of landen. Het grootste deel van de plurale samenleving heeft geen etnische conflicten gekend. Maar omdat conflicten het wereldnieuws en de beeldvorming beheersen, lijkt het alsof etnische groepen in één staatsverband een politieke tijdbom vormen die vroeg of laat zal afgaan.
Deze angst voor etnische conflicten is in verschillende theorieën verwoord. In noem er twee die voor mijn lezing van belang zijn. Volgens de eerste theorie zijn etnische groepen eenheden die om toegang tot hulpbronnen concurreren. Het gaat vooral om toegang tot de staatsmacht die de groepen in staat stelt om hun eigen achterban te accommoderen, dus banen te regelen, vergunningen en beurzen te verstrekken, publieke investeringen te doen ten voordele van de achterban, en ordinair te graaien uit de staatskas. Aan deze toegang tot hulpbronnen gaat natuurlijk een concurrentie om macht vooraf. Dat geschiedt doorgaans op basis van verkiezingen, maar het kan ook via militair geweld of door beheersing van politie en militie zoals Guyana lange tijd demonstreerde. Deze etnische concurrentietheorie, die opvallend genoeg is ontwikkeld op basis van de ontwikkelingen in Guyana, is wereldwijd toegepast om etnische conflicten te verklaren.
















