Jagernath Lachmon Lezing

De tweede theorie sluit aan op dit idee dat etnische groepen elkaar in de haren zullen vliegen. Deze theorie stond bekend als ‘consociational theory’ en nu als ‘power-sharing’, en wil de kans op conflict minimaliseren. Het recept is simpel: als etnische groepen met elkaar in conflict zijn of als er zo’n etnisch conflict nakende is, dan moeten de leiders samenwerken en één grote coalitie vormen. In deze ‘grand coalition’ verdelen de leiders de macht, bedwingen het conflict en realiseren de vrede. Waar de concurrentietheorie wijst op het etnische gevaar, komt de theorie van de ‘power sharing’ dus met de oplossing. Maar die oplossing is heftig bekritiseerd. Want het vooronderstelt bijvoorbeeld dat de leiders allemaal de situatie op dezelfde manier zien en dezelfde oplossing accepteren; dat zij volledige greep hebben op hun achterban en niet te maken hebben met verzet of afsplitsingen; dat leiders van coalitiepartners bereid zijn verregaande compromissen te sluiten; of dat zij zelf de macht willen delen. Elk van deze vooronderstellingen maakt het sluiten van een ‘grand coalition’ tot een hachelijke onderneming. Maar dat neemt niet weg dat ‘power-sharing’ één van de meest aanbevolen recepten is geweest om etnische conflicten te bedwingen.

‘Power sharing’ vindt ook plaats zonder dat er sprake is van etnische conflicten. Ik zeg het anders: niet elke brede etnische coalitie is de uitdrukking van etnische conflicten. Etnische coalities zijn vaak het gevolg van de demografische samenstelling van een samenleving. Als etnische groepen allemaal relatief klein zijn, dan komt dit ook tot uiting in de stembusuitslagen – vooropgesteld dat er etnisch gestemd wordt. Als geen enkele groep groot genoeg is om alleen te regeren, dan moeten de partijen samenwerken om een meerderheidskabinet te vormen, een stelling die overigens niet alleen voor etnische groepen geldt. Van Suriname is dit vaak beweerd: de etnische coalitievorming kwam noodgedwongen tot stand omdat geen enkele etnische partij demografisch groot genoeg was om alleen te regeren. Ik heb sterke twijfels ten aanzien van deze stelling. Na de verkiezingen in 1973 bundelden verschillende Creoolse partijen zich tot een anti-Hindostaanse coalitie, wat dus geen ‘grand coalition’ was. Dus juist in een periode van spanningen, dus wanneer er een ‘grand coalition’ gevormd zou moeten worden, zie je het tegenovergestelde gebeuren. Dat kleinere Javaanse en Hindostaanse partijen deelnamen aan deze NPK-kabinetten, die erop gericht waren om de VHP uit te sluiten van regeermacht, maakt deze regeringen niet tot grandcoalities. Daarvoor diende de grote
etnische partijen in de coalitie te zijn opgenomen, want alleen die vertegenwoordigen een substantieel deel van de etnische groep.

Maar het kan ook anders. Grandcoalitions of ‘power-sharing’ kan ook tot stand komen vanuit de ideologie dat je kleinere etnische groepen een speciale – bevoorrechte – plaats moet geven. Dat brengt rust op het politieke front en bevordert samenwerking. Dat is bijvoorbeeld het geval op Mauritius waar een grote Hindostaanse-meerderheid een vast aantal topposities in bestuur, leger en politie voor de Creoolse minderheid reserveert. Dat is heel bijzonder, want deze regeling is niet afgedwongen maar een uitvloeisel van een maatschappijvisie waarin minderheden worden betrokken bij ’s-Lands bestuur. Ook bijzonder is dat verliezende politieke partijen op een vast aantal zetels in het parlement kunnen rekenen. Op deze manier krijgt de maatschappelijke oppositie een politiek podium en kan zij zichzelf doen horen. De wil om te luisteren in Mauritius komt ook tot uitdrukking in het reguliere overleg van ambtenaren met organisaties in de samenleving. Er is dus een permanente en meervoudige interface tussen samenleving en politiek op dit eiland. Uit deze organisatie spreekt geen machtspolitiek, maar de wil tot ‘power-sharing’ en het consolideren van een bestaande etnische vrede. Dat is een heel andere perspectief dan wat wij in het Caraïbisch gebied kennen.

Nu kunt u zeggen: ja, maar dat mooie verhaal over Mauritius zou anders hebben uitgezien als er geen overweldigende Hindostaanse meerderheid was. Dat zou kunnen. Maar hoeveel politici van demografisch dominante groepen treffen een dergelijke regeling met minderheden? Zelfs in de liberale democratieën van westerse landen zie je een dergelijke opstelling niet. In veruit de meeste landen zie je een verschijnsel dat de achttiende-eeuwse politieke filosoof, Alex de Toqueville, ‘de tirannie van de meerderheid’ noemde. En deze tirannie ontaart makkelijk in een dictatuur. Een actueel voorbeeld is Turkije, waar een democratisch gekozen kameraad Erdogan, zeer dictatoriaal een politieke massazuivering houdt en nog gesteund wordt door een meerderheid. Minderheidsgroepen zijn politiek weerloos en blijven marginaal. Dat een dominante groep, zoals op Mauritius, minderheden zo nauw betrekt bij het bestuur van de samenleving, is dus niet vanzelfsprekend. Mauritius is daarom een interessant model om te bestuderen. Dat geldt niet alleen voor de wijze waarop politieke instituten zijn opgezet, maar ook voor het bijbehorend leiderschap en ideologie.

1
2
3
4
5
6
7
8
9
Vorig artikelShopping in Mumbai: transnational sociability from the Netherlands
Volgend artikelEén en Alleen | BLØF, featuring Droeh Nankoe