Aan de hand van Mauritius is het lastig om de Hindostaanse habitus te exploreren. Ik neem daarvoor Trinidad en Suriname, ook landen waar Hindostanen de tweede viool spelen, maar waar het proces veel meer is bepaald door de Hindostaanse habitus dan door Creools geweld. In beide landen hebben Hindostanen genoeg politieke ruimte gehad om zich te manifesteren. Dat hebben zij alleen op Trinidad gedaan, nauwelijks in Suriname. Op Trinidad zijn Hindostanen lange tijd buiten hoge politieke ambten gehouden. Het algemeen heersende gevoel was dat Hindostanen niet wilden mengen en dus geen recht hadden op volwaardig burgerschap van het land. Hindostanen zouden zich oriënteren op India en niet loyaal zijn aan Trinidad. Het is een bekend geluid, ook in Suriname. Typerend was de uitspraak dat een Hindostaan op Trinidad daarom nooit en te nimmer president zou kunnen worden. Die situatie is inmiddels sterk veranderd. Hindostanen op Trinidad zijn doorgedrongen tot de hoogste politieke ambten en dankzij langdurige en volhardende strijd zijn zij erin geslaagd om erkend te worden als volwaardige burgers.
Ik wijs erop dat een belangrijk deel van de Creoolse bevolking op Trinidad, zelfs de black power beweging toentertijd, politiek open stond voor de eigenheid van Hindostanen. Trinidad is waarschijnlijk de meest open plurale samenleving van het Caraibisch gebied. Typerend voor dat land is niet alleen de hoge mate van doglarisering – dat is de raciale en culture menging tussen Hindostanen en Creolen – maar ook de grote menging van Hindostanen en Chinezen, in de wetenschap ook bekend als Chindian. Chindians zijn voor Surinamers een beetje onbekend, want wij zijn gewoon aan de menging van Creolen en Chinezen. Chindians zijn op Jamaica, Trinidad en Guyana niet onbekend, maar de grootste Chindian gemeenschappen treft men aan in Maleisië, Singapore, India, en Hong Kong. En ondanks de grote mate van culturele en raciale menging op Trinidad zie je dat Hindostanen in de politiek een beduidend minder assertieve opstelling hebben vergeleken met Creolen.
Ook in Suriname zie je deze politieke ingetogenheid van Hindostanen. Met uitzondering van de periode rondom de onafhankelijkheid hebben wij nooit scherpe etnische tegenstelling gekend. Ik kan één stap verder gaan en stellen dat ook de tegenstelling rondom de onafhankelijkheid geen structurele tegenstelling was tussen etnische groepen, maar een politieke momentopname die de botsende wensen van twee kampen uitdrukte. Jazeker, het eerste NPK-kabinet heeft de VHP bewust uitgesloten, maar alleen om de onafhankelijkheid te realiseren. Deze verklaring roept wel de volgende vraag op: waarom was een tweede NPK-kabinet nodig? Dat is een puzzel, want er had toen best een grand coalition gesloten kunnen worden. Maar waarom zou de NPS dat willen? Zij had immers de macht en een cadeau van Nederland van 3,5 miljard gulden. Deze onwil illustreert dat de theorie van ‘power-sharing’ sterk afhankelijk is van de kwaliteit van het leiderschap. De NPK wilde geen macht delen, politiek noch financieel. En die gesloten houding was dankzij de Hindostaanse habitus niet moeilijk vol te houden.
Door hun habitus konden Hindostanen in twee vormen moeiteloos op achterstand worden gezet. De eerste is de ontbinding van de sociale cohesie van de gemeenschap. Steeds meer Hindostanen verlaten de eigen groep. Indicatoren van deze langzame ontbinding van de Hindostaanse gemeenschap zijn het groeiend aantal gemende huwelijken, de inruil in het dagelijks leven van het Sarnami Hindostani voor het sranan tongo, het groeiend aantal Hindostanen dat stemt op de NDP of lid is van deze partij, en meer in het algemeen een algemene leefcultuur waarin Hindostaanse elementen steeds minder vaak voorkomen. De andere achterstand heeft betrekking op het kiesstelsel. Dat is zodanig gecomponeerd dat districten waar Creolen en Marrons wonen met minder stemmen aan een zetel komen dan districten waar vooral Hindostanen wonen. Dat heeft zich herhaaldelijk gewroken, vooral tijdens verkiezingen. Maar het is mij niet bekend dat het Hindostaanse politiek leiderschap zich ooit druk heeft gemaakt om deze gestage aftakeling van haar machtspositie.
Lahmon’s leiderschap
Dames en heren, ik heb betoogd dat Hindostanen in enkele plurale samenlevingen een zelfverkozen tweederangspositie innemen, althans in de politiek. Deze zelfverkozen positie heb ik verklaard vanuit hun etnische habitus. Hoe staat het met de leider van zo’n etnische groep? Heeft de leider dezelfde habitus? In dat geval kan je zeggen dat elke gemeenschap de leiders krijgt die ze verdient. Maar hier stuiten we op een dilemma. De leider moet zich een beetje loskoppelen van de gemeenschap om er bovenuit te stijgen, moet de vrijheid nemen om richting te bepalen. Dat is leidinggeven. De leider moet dus een beetje lijken op de uitkijk in de mast van een zeilschip, die onderdeel van het schip blijft, met de ‘vloer’ communiceert, tegelijkertijd ver kijkt, en koers zet. Hiervoor moet een leider ballen hebben. Doet hij dat niet, dan is hij eerder wrakhout dat op de golven meedrijft. Ik zeg anders: een leider moet ook een massa durven opvoeden door met haar in gesprek te gaan en een ander standpunt te verdedigen. De vraag is dus: komt Lachmon in de buurt van dit profiel van een leider?
Lachmon, geboren in Nickerie, maar verder gevormd in Paramaribo, volgde zijn opleiding tot praktizijn bij de lichtgekleurde Creoolse advocaat De Miranda. Hij heeft verschillende levenspartners gehad, allen van niet-Hindostaanse afkomst. Hij deed volop mee met sociale leven van de Creoolse elite, was graag gezien in de buiten sociëteit het Park, en liet zich ook graag zien op allerlei openbare gelegenheden. Uit verschillende beschrijvingen komt naar voren dat hij graag geaccepteerd wilde worden door de Creolen, niet door Hindostanen. Lachmon, de leider van de Hindostanen, was erg vercreoliseerd. En deze eigenschap maakte het mogelijk dat hij een netwerk had met de top van andere politieke partijen en met hen kon omgaan en één van hen worden. Hij was meer extern gericht dan intern naar de Hindostaanse groep.
















