Jit Narain lezing door Lila Gobardhan

Toename schoolbezoek
Desondanks begonnen koeliekinderen aarzelend naar school te gaan, niet alleen naar koeliescholen. Mc Neill en Chimman Lal schreven na een oriëntatiebezoek aan Suriname in 1913, dat er toen in de kolonie 63 scholen waren; 25 daarvan in Paramaribo. Deze laatste scholen werden bezocht door 4443 jongens en 2264 meisjes. In de districten gingen 1661 jongens en 985 meisjes naar school. In Paramaribo gingen 147 Brits-Indische jongens en 23 meisjes naar school en in de districten 510 om 55.

Er was een begin gemaakt met het leren van Hindostaans op school. Ouders die nog niet besloten hadden of ze zich blijvend wilden vestigen, waren niet geïnteresseerd in onderwijs in het Nederlands. De meisjes bleven aan het kortste eind trekken: vooral arme ouders zonden hun dochters niet naar school. Pogingen de ouders tot andere gedachten te brengen, hadden geen resultaat, omdat het gouvernement vervolging achterwege liet.
De Brits-Indiërs achtten “het zenden van de meisjes naar school in strijd met de zeden en gewoonten van het volk”, aldus Wong, die reageerde op een verslag van een vergadering van de Surinaamsche Immigranten Vereeniging (SIV). Hij wilde daarom van het bestuur van de SIV, die ook deze duizenden meisjes vertegenwoordigde, weten hoe het tegenover het schoolbezoek van meisjes stond. Als het erkende daar een voorstander van te zijn, zou het er dan niet aan kunnen meewerken die situatie te creëren dat schoolbezoek mogelijk werd? Dat gebeurde ook toen juist de immigranten, die later de Arya Samaj in de kolonie zouden vormen, ervoor ijverden hun dochters naar school te sturen. Toch zou het voor Hindostaanse ouders eerst na de Tweede Wereldoorlog een normaal verschijnsel zijn dat ook hun dochters naar school gingen.