Jit Narain lezing door Lila Gobardhan

De weerstand vanuit de ouders hield echter niet aan, zoals blijkt uit het volgende citaat van de inspecteur van onderwijs in 1907:

Met het eind van 1906 werden de beide nog bestaande zoogenaamde koeliescholen op Mariënburg en Alliance gesloten. Om tegemoet te komen aan het verlangen der ouders werden de onderwijzers der opgeheven scholen tijdelijk aangesteld tot onderwijzers van bijstand, respectievelijk aan de openbare scholen op Mariënburg en Nieuw-Meerzorg (aan de overzijde van Alliance) om behulpzaam te zijn bij het onderwijs in het Hollandsch aan de koeliekinderen die voor het eerst de school bezoeken en om in den eersten tijd eenig onderricht in Hindostansche talen aan de koeliekinderen te geven”.

Over de oprichting van de eerste bijzondere school “voor gewoon lager onderwijs, hoofdzakelijk bestemd voor kinderen van Britsch-Indische immigranten”, de zogenaamde Annieschool, schrijft Polanen het volgende:

Deze nieuwe school moest van de grond af worden opgebouwd. Dat hield in, dat hij na de schooltijden regelmatig de omgeving afliep om met de ouders van de toekomstige leerlingen te spreken en hen aan te moedigen om hun kinderen onderwijs te doen genieten ten einde in de toekomst iets te kunnen bereiken. Deze bezoeken van mijn vader werden een groot succes omdat de mensen, die daar aan de rand van Paramaribo woonden al snel begrepen dat, om in dit land vooruit te komen, de officiële taal, het Nederlands, een belangrijk middel was (Polanen, 1982: 32).

Staal, gouvernements-secretaris [van 1916-1920 gouverneur van Suriname], schreef de Agent-Generaal dat er een school op de verlaten plantage Huwelijkszorg geopend zou worden. Onder meer het volgende werd bepaald:

a. dat die school zal worden gehouden van des voormiddags tien uur tot des namiddags twee uur;
b. dat in de maanden januari, mei, juni, juli en december geen school wordt gehouden;
c. dat het onderwijs in het algemeen in het Nederlandsch zal worden gegeven;
d. dat het hoofd der school er voor zal zorgen dat elke week gedurende drie uur onderwijs wordt gegeven in het Hindostansch.

De oprichting van deze school was het gevolg van acties, ondernomen vanaf 1906 door de aldaar wonende Brits-Indische landbouwers. De Agent-Generaal vroeg de gouverneur namens de landbouwers per brief of het gouvernement de school zou openen. De Brits-Indiërs hadden hem te kennen gegeven “dat in het tegenovergestelde geval, zij verplicht zouden zijn, in het belang hunner kinderen, voor eigen rekening een onderwijzer te doen komen uit Trinidad” .

Sital Persad, hoofdtolk in de Hindostaanse talen, bracht op verzoek van de Agent-Generaal een inspectiebezoek aan het gebied om na te gaan of er een school zou kunnen worden opgericht, waar in het Hollands onderwijs zou worden gegeven. Hij tekende op dat enige Brits-Indiërs de medewerking van den Agent-Generaal verzochten, opdat ook de Hindostaansche talen op die school onderwezen zullen worden”