Jit Narain lezing door Lila Gobardhan

Het emancipatieproces begon met het onderwijs

Leerplicht en assimilatie

De leerplicht, bij de instelling in 1876 bedoeld voor kinderen van ex-slaven, werd in 1878 ook op immigrantenkinderen van toepassing verklaard. In de Koloniale Staten had een lid bij de behandeling van deze verordening zich echter afgevraagd hoe de leerplicht moest worden toegepast op immigranten. Het eerste punt waarover hij bezorgd was, betrof de bereidwilligheid van de planters om jongens die al kunnen werken af te staan, aangezien deze planters hoge kosten hadden gemaakt om de immigranten over te laten komen. Ten tweede vroeg hij zich af in welke taal de immigranten onderwezen moesten worden.

In het Verslag van de immigratie en kolonisatie over het jaar 1879, schrijft de agent-generaal Barnet Lyon, vertrouwensman van de immigranten, dat hij bij een inspectiebezoek op de plantages De Resolutie en Alliance verscheidene koeliekinderen tussen de 7 en 12 jaar aantrof, die allerlei kattekwaad uithaalden op de plantages. Op de plantage De Resolutie zond hij de jongens naar school en ging toen zelf met de onderwijzer spreken en van hem te horen of het schoolgaan van deze kinderen niet bevorderd kan worden. Het bleek toen dat een paar van die kinderen vroeger reeds op school geweest waren en in korte tijd vrij goed hebben leren lezen. In dit koloniaal verslag gaf Barnet Lyon ook aan dat de koeliekinderen de Hollandse taal met meer gemak en zuiverder spraken dan de negerkinderen. Hij achtte het nuttig om de koeliekinderen de Nederlandse taal te leren spreken, zodat hun ouders meer redenen hadden, om zich blijvend in Suriname te vestigen.

Benjamins, Inspecteur voor het Onderwijs, gaf in het jaar hierop aan dat de assimilatie van de koelies met de overige bevolking bevorderd zou moeten worden door middel van de scholen. Hiermee zou volgens hem voorkomen kunnen worden dat de Britse immigranten die in Suriname wensten te blijven, niet altijd als vreemdelingen zouden zijn. Vanaf 1 april 1886 was in de contractformulieren opgenomen dat er sprake was van schoolplicht voor Brits-Indische kinderen. Toch gingen ze niet naar school.

Naleving
Hindostaanse kinderen moesten dus verplicht naar school. Op de naleving van de verordening werd bij de immigrantenkinderen niet echt gelet en de ouders van deze kinderen zagen mede daardoor het belang van onderwijs niet in. In ‘Districtsnieuws’, een rubriek uit de Nieuwe Surinaamsche Courant van 11 juni 1899 no. 723, lezen we dat de koeliekinderen door een wachter gepakt, gewassen en naar de school gebracht werden, tegen de wil van de ouders. De ouders zagen hun kinderen liever met de moeder naar het werk gaan.

Op enkele districtsscholen is het gebeurd dat immigranten uit Brits-Indië aan het einde van de week, tot grote verbazing van de onderwijzers loon kwamen eisen voor het ‘werk’ dat hun kinderen op school hadden verricht. Benjamins meende dat de bovengenoemde eis een uitvloeisel was van een in Brits-Indië heersende gewoonte, wat hij afleidde uit een artikel van Joseph Warren uit 1873, getiteld Schools in British India. Hierin werd verhaald dat meisjes alleen overgehaald konden worden naar school te gaan als ze ervoor betaald werden. Dit gebruik werd stopgezet, maar leerkrachten bleven vooral de armere meisjes wat toestoppen, zodat er een studentenaantal werd behouden voor de voortgang van de school. Dit gebeurde op zowel openbare scholen als op die van de missie en de zending. Een andere kwestie die speciaal bij meisjes een rol speelde, was dat de ouders meenden, dat de meisjes niet mochten leren lezen; niemand zou met ze willen trouwen. Ze waren immers door God geschapen voor de huishouding en om de man te dienen. Lang bleven de meisjes ook niet op school. Zodra de huwelijksvoltrekking had plaatsgehad, wat niet zelden vóór hun tiende levensjaar geschiedde, verlieten zij de school.

In 1890 begonnen de onderwijsverslagen weer aandacht te besteden aan onderwijs voor koeliekinderen. Comins, Protector of emigrants in Brits-Indië, gaf in zijn rapport over de emigratie van Brits-Indiërs naar Suriname aan dat volgens schatting van de agent-generaal ongeveer 20% van de kinderen tussen zeven en tien jaar de school bezocht; enkele gingen naar de scholen, waar negerkinderen op zaten, maar de ouders vonden dat niet prettig, omdat de negerkinderen geneigd waren ze te pesten. De rest bleef van onderwijs verstoken.

Om het spontaan schoolbezoek van Brits-Indische kinderen te bevorderen werd in 1890 op enkele plantages een nieuw schooltype ingevoerd, namelijk de z.g. koelie-school, waarin aan Brits-Indische kinderen in hun ‘landstalen’ onderwijs werd gegeven door Hindostaanse onderwijzers. De gouverneur schreef in een brief aan de minister van Koloniën dat men Britsch-Indische kinderen niet kan dwingen Nederlands te leren en anderzijds ook niet hen geheel zonder onderwijs te laten. Hij ging ervan uit dat het een allereerste vereiste was dat de koelies zich hier blijvend zouden vestigen. Dat kon onder meer bevorderd worden als ze de gelegenheid kregen hun kinderen onderwijs te doen geven in hun landstalen. Hij stelde daarom als proef in 1890 de scholen in op Mariënburg (district Commewijne) en Waterloo (district Nickerie), beide suikerplantages.

De eerste koelie-onderwijzers waren respectievelijk Noor Mahomed en Ahmad Hosein, die elk fl. 50,- per maand ontvingen. Per gouvernementsresolutie van 21 juli 1891 werd de inspecteur van onderwijs gemachtigd om Fazan Ali aan te stellen tot onderwijzer in de “Indische talen” aan de op plantage Visserszorg op te richten school voor kinderen van Brits-Indische immigranten, en op 1 augustus van hetzelfde jaar Balkisson voor de nieuwe school op plantage Alliance. Onderwijs werd verzorgd in Urdu en Nagari talen. De Britse consul zorgde voor een tiental exemplaren van de schoolboekjes, welke in de verschillende delen van Britsch-Indië werden gebruikt en welke nu uit Britsch-Indië besteld moesten worden.