Jit Narain lezing door Lila Gobardhan

Foto: Ranu Abhelakh | Starnieuws | 2018

Dr. Lila Gobardhan-Rambocus sprak op 8 augustus 2019 de Jit Narain lezing uit in Paramaribo. Hieronder de tekst van de lezing getiteld

Het emancipatieproces van Hindostaanse immigranten in Suriname
in de periode 1873 – 1945

De volledige tekst is ook hier te downloaden.

Tijdens de bijeenkomst op 8 augustus werd ook de Jit Narain Cultuurprijs uitgereikt aan Theatergroep Rahemalbuiten


Het emancipatieproces van Hindostaanse immigranten in Suriname
in de periode 1873 – 1945

Goedenavond dames en heren,

In deze tekst wordt de benaming “koelie” regelmatig gebruikt. Het is niet denigrerend bedoeld. Ik beschouw het als een geuzennaam.

Reeds in 1869 en 1870 kwamen Hindoestaanse immigranten uit Barbados en Brits Guyana naar Suriname. Van overheidswege begon de werving echter toen in juni 1873 het zeilschip Lalla Rookh de eerste 410 personen, onder wie vrouwen en kinderen naar Suriname bracht. Deze immigranten moesten de ex-slaven vervangen, die na de afschaffing van de slavernij nog tien jaar onder Staatstoezicht vielen. Het Staatstoezicht zou ruim drie weken later eindigen. Na beëindiging hiervan verlieten veel ex-slaven de plantages die, voor zover zij niet de beschikking konden krijgen over nieuwe arbeiders, als landbouwondernemingen gesloten zouden worden. Deze contractarbeiders kwamen toen uit China, Madeira, de West-Indische eilanden, met name Barbados, en sinds 1873 ook uit Brits-Indië.

Hoewel een groot deel der immigranten zich na de beëindiging van de contractperiode, die vijf jaar omvatte, blijvend in de kolonie vestigde, raakten de districten toch voor een deel verlaten toen omstreeks 1890 de krullotenziekte uitbrak in de cacaocultuur. De werkzame landbouwende bevolking was onder andere hierdoor afgenomen, terwijl het bestuur juist wenste dat de immigratie van koelies tot kolonisatie zou leiden. Dat gebeurde uiteindelijk ook, omdat slechts een derde deel der Brits-Indische koelies terugging naar het moederland na de contractperiode.

Omstreeks 1890 vroeg het koloniale bestuur zich af hoe de immigranten bewogen konden worden zich blijvend in de kolonie te vestigen en werden er pogingen daartoe ondernomen, zoals een cursus “onderwijs in de Hindostansche taal”. Deze cursus was speciaal bestemd voor bestuursambtenaren, zowel van het immigratiedepartement als van de districtskantoren. Uit onderzoek was gebleken, dat de immigranten niet met hun problemen terecht konden bij hun werkgevers of lagere bestuursautoriteiten, vanwege onbekendheid van de laatsten met hun taal. Deze onbekendheid leidde tot onbegrip aan de zijde van de werkgever, die de klachten van de contractarbeider niet op hun waarde kon schatten. De koelies vertrouwden de tolken in veel gevallen niet, wat tot ongeregeldheden leidde. De gouverneur van Suriname kwam met het voorstel ook een cursus te openen voor de “Javaansche en Maleische taal”, omdat ook die zou leiden tot “een meer gezonde en aangename verhouding tussen de immigranten en de hen verstaande blanken”.
Aanvankelijk verliep de vestiging van de koelies moeizaam, omdat de ex-contractanten afstand moesten doen van hun recht op vrije terugkeer, wilden ze een stuk domeingrond in gebruik krijgen. Na 1895 echter behielden ze dat recht, waardoor velen poogden zich te vestigen. Ze ontvingen bovendien een premie van honderd gulden als ze afstand deden van hun recht op vrije terugkeer. Naturalisatie van deze Brits-Indiërs moest ook vergemakkelijkt worden, omdat ook dat kolonisatiebevorderend zou werken. Na 1910 begon men zich in de kolonie te realiseren, dat door de kleine landbouw Suriname een landbouwkolonie zou blijven. Ook voor het uitoefenen hiervan achtte men de ex-contractkoelies het meest geschikt. De Brits-Indische immigranten die ervoor kozen zich in Suriname te vestigen, hebben de basis gelegd voor de kleine landbouw, met name de rijstbouw.

Deze Brits-Indiërs waren, gelet op de omstandigheden waarin ze verkeerden, zeer ondernemend. Rijst bijvoorbeeld, was vóór de Eerste Wereldoorlog het belangrijkste invoerartikel en erna werd de rijstconsumptie volledig door de binnenlandse productie gedekt. Het gouvernement had bijvoorbeeld twee rijstpolders aangelegd, de Van Drimmelen- en de Corantijnpolder; de kleine landbouwers zelf, voornamelijk Brits-Indiërs, de Sawmillkreek-, de Boonacker-, en de Hamptoncourtpolder. Alle genoemde polders liggen in Nickerie, tot vandaag het rijstdistrict bij uitstek. Volgens mededelingen van het departement van Landbouw hadden de Brits-Indiërs, toen er in het district Nickerie geen bepolderd land meer beschikbaar was, zich gevestigd op het onbepolderde land naast Nieuw-Waldeck. Ze legden een weg aan, verhoogden een plek waar ze hun huis bouwden en deden uitsluitend aan rijstbouw. Later werd van bestuurswege het land ingepolderd en een stelsel van irrigatiekanalen gegraven. Tegen betaling van de aanlegkosten in vijf jaarlijkse termijnen werd het land aan de bewoners in eigendom afgestaan. Zo is de Van Drimmelenpolder ontstaan.
In het begin van de twintigste eeuw begonnen de immigranten zich in verenigingen te organiseren. De in 1910 opgerichte Surinaamsche Immigranten Vereniging [SIV] was de eerste vereniging van de Brits-Indiërs; in 1923 werd de naam veranderd in Bharat Oeday, wat zoveel betekent als: wij komen op. Volgens de statuten beoogde de vereniging coöperatief op te treden ten behoeve van haar leden die de landbouw uitoefenden. De vereniging had ook het voornemen een eigen verenigingsgebouw te Paramaribo te stichten. De immigranten hielden in eigen kring gewoonten en gebruiken uit het moederland in ere en maakten nauwelijks deel uit van het stadsleven, met uitzondering van de Chinezen die in en om Paramaribo woonachtig waren. Toch was er reeds een beeld van deze Brits-Indische koelies. De Nieuwe Surinaamsche Courant van 8 juni 1899, no 722 beschreef de mogelijkheid om een “koelie bruiloft, met daaraan klevende lawaaimakerij” te houden op het koeliedepot op klein Combé.