Lachmon had twee andere eigenschappen die hem waardering opleverden, van zijn creoolse vrienden, niet zozeer van Hindostanen. De ene eigenschap was z’n geloof in de rechtstaat. Die oriëntatie op de formele organisatie van de parlementaire democratie had hij al vroeg in zijn politieke loopbaan. Hij was een formalistische denker die begeesterd was door het formele politieke spel en weinig oog had voor de sociaaleconomische noden van de bevolking. Zijn geloof in de rechtstaat kwam scherp tot uiting tijdens de onderhandelingen met de militairen die de regeermacht wilden overdragen. Hij was het boegbeeld van de democratie, hij eiste zijn creoolse politieke vrienden terug, hij wilde garanties voor de rechtsprocedures, en… hij kreeg het allemaal gedaan. De militairen apprecieerden hem als een formeel clean politicus en kozen hem uit als de grote bemiddelaar en regisseur van de herstelde democratie. En dat hing samen met zijn tweede eigenschap die hij zorgvuldig bewaakte: de neutraliteit.
Er valt veel voor te zeggen dat Lachmon graag parlementsvoorzitter speelde omdat hij daar een neutrale gedaante aan kon nemen. Hij was tegen wil en dank leider van Hindostaanse boeren die na de na de Tweede Wereldoorlog massaal naar Paramaribo trokken. Omdat er geen industrialisatie was, en ook geen andere bronnen van werkgelegenheid, werden deze werkloze boeren door de VHP aan een overheidsbaan geholpen. Dit regelen, zoals het in Suriname bekend staat, was kenmerkend voor alle politieke partijen en werd een wezenlijke deel van de politieke cultuur van het land. Opmerkelijk was dat het altijd de VHP-ministers waren die hun achterban regelden, niet Lachmon. Hij maakte zijn handen niet vuil, hij bleef – figuurlijk gesproken – in het wit rondlopen, al had hij de bijnaam ‘Lachmon van Oranje’, waarmee niet de partijkleur van de VHP werd bedoeld, maar zijn vertrouwen in Nederland. Die, bijna pathologische behoefte aan neutraliteit, die angst om voor ‘etnisch’ uitgemaakt te worden, kwam ook tot uiting in de herhaaldelijke naamsverandering van de VHP. Aanvankelijk stond de VHP voor Verenigde Hindostaanse Partij (1949), toen werd het Vatan Hitkari Partij (1966, Partij ter Bevordering van het Nationaal Welzijn), en dan weer Vooruitstrevende Hervormers Partij (1973). In de twee laatste namen is het etnisch element weggepoetst. De VHP wilde al sinds 1966 geen etnische partij zijn, wat duidt op een niet-erkende maar langdurige en ernstige politieke identiteitscrisis.
Deze worsteling met het etnische karakter van de partij komt ook tot uiting in de innige wens van de huidige VHP-voorzitter om een multi-etnische partij te worden. Meneer de voorzitter, beste Chan, ik heb het eerder gezegd en herhaal het hier: je wordt geen multi-etnische partij omdat je het wilt, al ga je honderd keer op de foto met Chinezen en Marrons, en schuif je andere etnische poppetjes naar voren. Je wordt een multi-etnische partij omdat andere groepen iets in jouw partij zien, iets dat hun dagelijks leven ten gunste beïnvloed. Krediet krijg je niet omdat je erom vraagt, krediet krijg je omdat je kredietwaardig bent. Dat geldt ook voor politiek krediet.
Een goed voorbeeld is het krachtige optreden van de toenmalige minister van Justitie Chan Santokhi die erin slaagde om de criminaliteit terug te dringen. De criminaliteit was – en is nog steeds – een nationale zorg, het treft iedereen. Door zijn succes oogstte de toenmalig minister Santokhi veel waardering. Hij werd populair bij alle etnische groepen. Dat was het effect van het behartigen van een nationaal belang. Zo kan je brede maatschappelijke issues definiëren die iedereen aangaat en snel resultaten genereren. Bijvoorbeeld: de verkeerssituatie, de ambtelijke corruptie, de geluidsoverlast, de kinderzorg, de ouderenzorg, en de kleine criminaliteit. Niet alles vereist grote investeringen of is van lange duur. Je kan politiek veel bereiken door samen met beroepsgroepen of instellingen strategische keuzes te maken die met een geringe investeringen een groot rendement opleveren. Dat zijn de zogenaamde quick-win onderwerpen waarmee je snel politiek krediet kan verwerven. Maar het vereist visie, strategisch denken, kader, en daadkracht om deze mogelijkheden te benutten. Chan, je zou eens een serieus gesprek moeten voeren met die minister.
De VHP habitus
Dames en heren, ik zal nu de stelling verdedigen dat er een verbluffende continuïteit is tussen Lahmons habitus en van zijn opvolgers Sardjoe en Santokhi. Het leiderschap van Ram Sardjoe werd als Shanti-politiek getypeerd en was niets meer dan een terminologische variant op verbroedering – gericht op het bezweren van een ingebeeld etnisch conflict. Shanti-politiek en een Nieuw Front coalitie vormen met de NPS is een politieke inconsistentie die weinig mensen is opgevallen. En hoewel het leiderschap van Santokhi geen duidelijke ideologie heeft, behalve dan het streven naar een multi-etnische partij, is de praktijk nog steeds dat de VHP opvallend passief is. Elke leider heeft een eigen vlag: ‘verbroedering’ bij Lachmon, ‘Shanti’ bij Sardjoe en ‘Multi-etnische partij’ bij Santokhi. En in alle drie termen komen de interraciale verhoudingen tot uitdrukking. Ik denk dat het drie grote missers zijn. Als deze termen de identiteit van de partij uitdrukken dan komt daarin een obsessie met de Creoolse groep tot uitdrukking en niet een perspectief op de ontwikkeling van het land of het belang van de eigen doelgroep. Van Lachmon kon worden gezegd dat het zijn habitus was, maar Sardjoe en Santokhi hebben die kritiekloos gecontinueerd.
Ik heb zojuist uiteengezet dat een nationaal leider in een democratisch bestel naast het eigen groepsbelang ook – en misschien vooral – het nationaal belang moet behartigen. Tot aan de onafhankelijkheid is de nationale ontwikkeling grotendeels gedicteerd door de ontwikkelingspolitiek van Nederland. Surinaamse politieke partijen, met name de VHP en de NPS, hebben daar nauwelijks enige inbreng gehad. Na de restauratie van het parlementair stelsel in 1987 zijn opeenvolgende regeringen doorgegaan met de oude politiek die bestond uit het binnenhalen van ontwikkelingsgelden en de exploitatie van grondstoffen. Suriname bleef zodoende een kwetsbare grondstoffenproducent zonder veel werkgelegenheid te creëren. Die situatie bestaat sinds de 2e wereldoorlog en is sindsdien niet veel veranderd. En ondanks grote sociaaleconomische noden in de jaren tachtig en negentig, bleef Lachmon ‘verbroederen verbroederen’ roepen, en Sardjoe maar ‘Shanti Shanti’ doen, terwijl Santokhi denkt dat hij de verbroedering én de Shanti beide in de VHP kan binnenhalen door ‘multi-etnisch’ te worden. Het is opvallend dat alle politieke leiders van de VHP, ondanks de zeer gewijzigde politieke, demografische en economische omstandigheden, dezelfde preoccupatie met interraciale verhoudingen vertonen.
In zo’n situatie en met Lachmon ’als leider is het niet verwonderlijk dat er nauwelijks contact was met de massa, vergelijkbaar met de ongedwongen interactie zoals we die zagen bij Jopie Pengel of Desi Bouterse. Lachmon was meer bezig met zijn partijgenoten en z’n politieke vrienden en rivalen dan met zijn achterban. En het grootste deel van deze vrienden en rivalen waren niet-Hindostanen. Maar elke politiek leider moet zich verhouden tot de achterban. Van de eigenschappen die de habitus van Lachman vormde was het vooral de hooghartigheid wat de VHP-leiding altijd heeft gekenmerkt en wat ook in stand gehouden is door de onderdanigheid van de kringen om de opeenvolgende partijleiders. Hier zien we een combinatie van hoogmoed en onderdanigheid die kenmerken zijn geworden van de VHP-partijcultuur. Zij vormen bepaald geen goed recept om een open democratische partijcultuur te creëren, om respect en loyaliteit te genereren, en om visie en kader te ontwikkelen. De VHP-leiding heeft langdurig ernstig onderschat hoezeer ontoegankelijkheid en rancune heeft geleid tot vijandigheid bij een toenemend aantal Hindostaanse families. En dan zeg ik het nog mild: in sommige Hindostaanse families, en niet alleen in Nickerie, spreekt men met haat en verachting over de VHP.
Tegenover Creolen positioneerde Lachmon zich als de grote verbroederaar, maar als ik Sedney moet geloven, was hij een bange vredesduif. Laten we dat politieke moed noemen. Moed zonder angst is geen moed, maar een gewone handeling. Enkele jaren geleden mocht ik naar aanleiding van de eerste Jagernath Lachmon lezing Chan Santokhi bevragen over dit karakter van Lachmon. Hij wees de kwalificatie ‘bange vredesduif’ resoluut af en gaf het beste antwoord dat hij kon geven: Lachmon heeft z’n rug recht gehouden toen hij met de militairen onderhandelde over de terugkeer naar de democratie. Dat getuigt niet van bangheid.
Toch is het argument van Santokhi niet afdoende. Maar je rug recht houden, sluit angst niet uit: je kan immers bevend en zwetend je vasthouden aan je principes. Lahmon’s momenten van moed waren schaars, hij was vaak niet zichtbaar omdat hij de luwte verkoos. Hij was braaf, formeel en verknocht aan het parlement waar hij zo graag voorzitter van wilde zijn en waar hij veilig de broederschap kon prediken. Bezien over zestig jaar VHP-politiek was het kenmerkende van hem juist de beschreven Hindostaanse habitus, met een lauwe interesse in de belangen van zijn achterban of de ontwikkeling van de natie. Evenals Lachmon zijn latere VHP-leiders niet gericht op wat er met het land moet gebeuren, wat ervoor nodig is, hoe je dat het beste kon realiseren, wie de beste partners daarbij kunnen zijn. Nee, ze zijn vooral geïnteresseerd in de volgende verkiezingen. Dat is een droevige balans.
