Column | Worstelen met Suriname

Column geschreven op verzoek van De Nieuwe Kerk voor het magazine bij "De Grote Suriname-tentoonstelling"

Worstelen met Suriname

Suriname, het is het geboorteland van veel Surinamers die nu in het buitenland wonen, het land dat ze soms langer dan een halve eeuw geleden hebben verlaten. En toch voelen veel van deze emigranten zich verplicht aan Suriname. Niet omdat ze voor iets worden beloond. Nee, het is een gevoel dat je de verwanten en vrienden die daar nog wonen niet in de steek kan laten, dat je Suriname moet helpen, moet verdedigen tegen kritiek, ook van de Euronamers, de Surinamers die in Europa wonen, of de groeiende groep Surinamers in Amerika, we zullen ze even Amernamers noemen. Surinamers in Suriname en die in Europa of Amerika zijn met elkaar verbonden via familierelaties, ondernemerschap, religie, muziek, nostalgie, interesse. Een transnationale gemeenschap in al haar facetten: innig verstrengeld en toch apart. O, wat zou je zo graag iets willen doen voor dat land.

Maar dat is een lastige klus. Want je kunt je ook behoorlijk ergeren aan de domheden van de Surinaamse regering, haar gebrek aan visie en daadkracht, haar afhankelijke opstelling van buitenlandse hulp en leningen, haar onverschilligheid voor armoede, onderwijs en corruptie. Neem het voorbeeld van de Chinezen die Suriname graag binnenhaalt, als kapitaalverschaffers en als arbeiders, om enkele openbare projecten te realiseren. Veel van deze Chinezen vestigen zich na afloop als ondernemer in Suriname. Chinezen hebben het leven in Suriname aanzienlijk prettiger gemaakt, al was het maar omdat hun winkels zeven dagen per week van acht uur ’s morgens tot middernacht open zijn. Zij vormen het hardst werkende segment van de Surinaamse bevolking, maar worden scheef aangekeken omdat ze winsten naar China overmaken. En als de Surinaamse politici en zakenlieden hun door corruptie verkregen gelden in Europa of de VS stallen, dan valt er een alleszeggende stilte.

Je zult vaak horen dat Suriname een heerlijk land is: het klimaat, de mensen, de verschillende culturen, de geschiedenis, en dat het nog betaalbaar is ook. Maar je moet daar niet teveel commentaar leveren, want Surinamers ergeren zich aan kritiek, vooral als die afkomstig is van Euronamers. ‘Je moet hier komen wonen voordat je iets mag zeggen.’ Wauw, vrijheid van meningsuiting is bepaald door je woongebied. Het geldt natuurlijk alleen voor de Surinamers uit het buitenland, want die in Suriname mogen zich over alles en iedereen uitlaten.

Het massale vertrek van Surinamers in 1975 vanwege de naderende onafhankelijkheid is nog steeds een open zenuw in het land. Toen werd de emigranten verweten dat ze de achterblijvers in de steek lieten. Dat bleek achteraf niet helemaal waar te zijn. In de jaren tachtig, toen de grote economische crisis vooral onder de arme landen huis hield en Nederland de ontwikkelingshulp opschortte, en in de jaren negentig, toen Suriname een ingrijpend bezuinigingsprogramma doorvoerde, verviel een groot deel van de bevolking daar in barre armoede. In die periode hebben de Euronamers massaal geld en postpakketten met eerste levensbehoeften naar Suriname gestuurd. De overmakingen bedragen nog steeds 10–15% van het nationaal inkomen en ook het familiebezoek vanuit Nederland en de VS is toegenomen. Hoezo, in de steek gelaten?

En zo koekt de ambivalentie van de Euro- en de Amernamers aan. Suriname blijft afhankelijk van het buitenland, zegt hulp nodig te hebben, maar heeft geen visie op de toekomst en doet weinig om haar diasporagemeenschappen te betrekken bij haar ontwikkeling. De ergernissen hopen zich op, – het onbegrip en de uitzichtloosheid eveneens. Je kan je in gemoede afvragen of Suriname echt geholpen wil worden.

En toch blijft je liefde voor Suriname in de tweede versnelling draaien, alsof je energiebron onuitputtelijk is.

Ruben Gowricharn